Niet alleen

Dat ik langer dan een paar dagen ziek ben, is me na een maand thuis wel duidelijk. Mijn schooltas, met de boeken er nog in, staat in de hoek van de kamer, klaar om weer mee naar mijn werk te fietsen. De praktijk is anders: ik vind het zelfs spannend om voor een gesprek met mijn teamleider naar school te gaan.

Mijn wereld is van het ene op het andere moment totaal veranderd, die van anderen draait door alsof er niets aan de hand is. Mijn lessen zijn overgenomen door collega’s. Anderen hebben de taken opgepakt die ik nu niet uit kan voeren. Ik heb dus alle tijd om op de bank te liggen en bij te komen. En ik moet toegeven dat ik bijzonder weinig aan school denk.

Hoe fijn is het dan als de brievenbus kleppert en het een kaartje van een collega blijkt te zijn, om me een hart onder de riem te steken. Of als er een appje binnenkomt met de oprechte vraag hoe het met me gaat. Als er een lieve reactie wordt gegeven op een blog die ik geschreven heb. Het zijn zulke kleine dingen, maar ze komen zo groots binnen!

Een sectiegenote had al gevraagd of ze langs mocht komen om een lesboek op te halen. Toen ze aan de deur kwam, droeg ze een grote mand met narcissen, hyacinten en blauwe druifjes – een cadeautje van school. Een dag later bezorgde de postbode een lieve kaart, eveneens van mijn collega’s. Even straalde ik net zo hard als de zonnetjes op het poststuk.

Het is gek om eruit te liggen op school, om te ervaren dat je wel belangrijk, maar niet onvervangbaar bent. Het voelt vreemd, maar het is ook fijn te weten dat alles goed gaat, dat collega’s voor mijn leerlingen zorgen en dat ik de ruimte krijg om thuis te zitten.

En juist dan doen die cadeautjes, kaartjes en appjes extra goed. Ze bevestigen dat het niet lekker gaat, wat nog steeds confronterend is, maar bovenal bemoedigen ze. Ze laten me weten dat mensen aan me denken en met me meeleven. Ook al lig ik uren achtereen mijn eentje voor me uit te staren op de bank, ik ben niet alleen. En die gedachte sterkt.

Eén reactie

Plaats een reactie