‘Heb je wel klappers?’ wilde mijn collega vanmorgen weten. ‘Zelfs mensen die niet kunnen schaatsen, rijden zó weg op klappers,’ voegde hij eraan toe. ‘Nee,’ antwoordde ik. ‘Ik heb maar simpele lage noren.’ En met die simpele lage noren in mijn tas loop ik nu de ijshal binnen. Ik kan niet wachten om de baan op te gaan!
Eerst koop ik een helm bij de schaatswinkel. Het is hier nog niet verplicht er één te dragen, maar je bent een uitzondering als je het niet doet. Daarna ga ik op een bankje zitten om mijn schaatsen aan te trekken. Net op dat moment wordt de dweilpauze aangekondigd en stappen de andere rijders van het ijs.
Het zijn er maar een paar en ik weet echt wel dat ik me niet met hen moet vergelijken, maar per ongeluk laat ik me toch imponeren door hun soepele bewegingen, dure klapschaatsen en strakke kleding met het logo van een schaatsvereniging erop. Prompt slaat de onzekerheid toe: kan ik het nog? Kom ik de bochten fatsoenlijk door? Ben ik wel goed genoeg?
Een oudere man, gepensioneerd, zo vertelt hij mij, komt de hal binnen en gaat naast me zitten. Hij draagt een blauwe schaatsbroek en knoopt de veters van zijn klapschaatsen met zekere bewegingen dicht. ‘De eerste keer dit seizoen,’ glundert hij. ‘Ik heb er zin in!’
Wanneer het licht groen wordt en we de baan op mogen, zet ik mijn eerste voorzichtige streken. Rechtuit gaat het goed, in de bocht is het lastiger. Ik ben geen held in overstappen, maar nu ik het ijzer van mijn linkerschaats over het ijs hoor schrapen, twijfel ik echt aan mezelf. Wat zullen de anderen van me denken? Verniel ik de ijsvloer niet? Ga ik straks onderuit?
Terwijl ik aan mijn rug al voel dat ik een verkeerde houding heb, glijden de andere schaatsers moeiteloos om me heen. Ze gaan niet écht snel, die rijders zijn vast vanmorgen al geweest. Of ze komen vanavond. Morgen. Toch kijk ik ze met enige jaloezie na. Hun ijzers hoor je amper, het ziet er zo gemakkelijk uit.
Door de stroom aan gedachten raak ik het plezier in het schaatsen bijna kwijt. Dat is de bedoeling niet! In mijn hoofd ga ik daarom terug naar de tips die mijn lief me vorige winter op de ijsbaan gaf: diep zitten, ver door de bocht kijken en vooral: zelfvertrouwen hebben.
Het komt niet in één keer, maar langzaamaan groeit het toch. Ik trek me minder aan van de andere schaatsers, zij letten immers ook niet op mij, en concentreer me meer op mezelf. Ik voel de wind in mijn gezicht, hoor de muziek en kijk goed voor me uit. Vanuit mijn ooghoek zie ik een meisje langs de boarding, een jaar of zeven, dat naar me zwaait. Ik lach en wuif terug.
De glimlach blijft de rest van de middag op mijn gezicht staan. Natuurlijk ben ik geen Ireen Wüst, dat zal ik ook nooit worden. Ook schaats ik niet zo sterk als de mannen die me één voor één inhalen op hun klappers. Dat hoeft allemaal ook niet, op simpele lage noren kun je net zo goed een heel eind komen.

