Ik vind mezelf opgevouwen terug op de bank. Mijn puzzelboekje is van mijn schoot gegleden, mijn pen hangt nog ergens half tussen mijn vingers. De wijzers van de klok maken een zacht zoemend geluid. Ik hoor één van de cavia’s drinken en het water stromen door de radiatoren. Die moet ik nodig ontluchten, binnenkort maar eens uitzoeken hoe dat ook alweer moet. Dat komt later wel.
Na de verkoudheid van vorige week sloeg deze week de buikgriep toe. Wéér lig ik ziek op de bank. Maar ik doe mijn best om niet te klagen, er zijn immers genoeg zegeningen te tellen. Want ik had vaker boven het toilet kunnen hangen. Het had langer kunnen duren. Ik had nóg futlozer kunnen zijn.
De meiden vonden het maar niets, zo’n zieke moeder. Sowieso niet omdat ik als een vaatdoek op de bank hing en zij voornamelijk voor zichzelf moesten zorgen, maar vooral niet omdat ik ze had uitgelegd dat buikgriep behoorlijk besmettelijk is. Ze konden me dus beter niet knuffelen.
De eerste uren ging dat moeiteloos. Ze pakten koekjes, maakten huiswerk en speelden spelletjes op hun tablets. Tegen de avond werd het lastiger en bij het naar bed brengen wel erg vervelend. Ik had de energie niet om de jongste voor te lezen. De oudste telde alle knuffels die ze die dag niet had gekregen of gegeven en constateerde dat het er veel te veel waren.
Samen sukkelden we de dagen door. Een vriend bracht boodschappen: een tas vol jus d’orange, mandarijnen en bakjes fruit. De meiden zorgden voor elkaar en voor mij en voor zover dat mogelijk is als je in één huis woont, bleven we bij elkaar uit de buurt. Alleen af en toe, als de drang te groot werd, kreeg ik een stiekeme aai over mijn schouder of pakte één van de meisjes de mouw van mijn trui om die te knuffelen.
Vanmorgen, precies op de dag dat de meiden naar hun vader gaan, dacht ik fit genoeg te zijn om weer naar school te gaan. Eenmaal uit bed en in de badkamer kwam ik gauw op die gedachte terug. Mijn lijf is gammel en slap, het zit bovendien nog vol vermoeidheid.
En zo vind ik mezelf terug op de bank. Opgevouwen in plaats van languit, dus er is vooruitgang. En hoewel mijn bril nog op de armleuning ligt, heb ik er al wel een puzzelboekje bij gepakt. Nog meer vooruitgang. Dat ik erbij in slaap viel, laat ik maar even buiten beschouwing. Morgen ben ik beter. En anders overmorgen, als de meiden terugkomen. Dan gaan we weer knuffelen.
