Wanneer ik een paar kinderen lachend het maisveld uit zie komen, met grote kolven in hun handen, schieten mijn gedachten ruim dertig jaar terug in de tijd. Ineens ben ik weer te logeren bij mijn tante, de zus van mijn vader, en geniet ik opnieuw van de heerlijke tijden die we daar hebben gehad.
Mijn tante woonde buitenuit, in een vrijstaand wit huis, omgeven door een grote tuin, akkers en weilanden. Verderop was een bos. Iedere vakantie mochten we bij haar logeren, mijn zusje, mijn broertje en ik. Het was elke keer weer feest.
Sommige activiteiten stonden van tevoren al vast. Zo bakten we altijd een keer pannenkoeken. Al van jongs af aan mochten we helpen. Op onze knieën op een krukje voor het gasfornuis leerden we wat we moesten doen: vanuit het kleine karafje olie in de pan schenken, beslag eroverheen, keren… Ook maakten we zelf poedersuiker. Mijn tante had een machientje dat daar vast niet voor gemaakt was, maar het werkte perfect om kristalsuiker te vermalen tot de poedervariant.
Op de andere avond mochten we in bad. Dat was bijzonder, want thuis hadden we er geen. Veel badschuim en speelgoed maakten het extra leuk. Tijden konden we blijven zitten en mijn tante werd niet eens boos als we teveel water over de rand spetterden!
Dan waren er de rondjes die we renden, want dat kon zomaar in het huis van mijn tante. Vanuit de keuken naar de eetkamer, door de gang, langs de badkamer en de woonkamer vlogen we weer terug de keuken in. In mijn herinnering ging het altijd goed, maar dat kan ook zijn omdat we moesten stoppen met rennen voor er ongelukken gebeurden.
’s Avonds, voor het slapengaan, las mijn tante ons voor uit ‘Valentijn’. Dat boekje gaat over een varkentje dat vast komt te zitten in de stoep. Soms stelde ze voor om een ander boek te kiezen. Dat vonden we goed, zolang ze daarna maar voorlas uit ‘Valentijn’.
Schuin achter het huis lag land waarop mais werd verbouwd. Daarachter lag het bos. Vanuit huis zagen we af en toe reeën staan, maar als we zelf naar het bos gingen, lieten ze zich nooit zien. We wísten dat ze er waren, dat was genoeg. We zochten grote takken en zetten die schuin tegen een boom aan. Eerst kropen we zelf in de hut die we net gebouwd hadden, daarna lieten we hem achter, zodat de reeën er ’s nachts in konden slapen.
In het najaar, het zal tijdens de herfstvakanties zijn geweest, als de mais geoogst was, gingen we met mijn tante op zoek naar achtergebleven maiskolven. We verzamelden ze in een plastic tas en namen ze mee naar huis. Daar kwamen de knutselspullen en de mand met oude lappen stof op tafel en mochten we los.
We maakten maispoppen, precies zoals mijn tante het ons geleerd had: bladeren omhoog vouwen en vastbinden, een stoffen rokje om de mais knopen en een gezicht tekenen op het blad. Van een kartonnen doos knutselden we een televisie, waarin de poppen konden optreden. Hoeveel ‘programma’s’ zal mijn tante wel niet gezien hebben?
Wat hebben we veel tijd doorgebracht bij mijn tante en wat hadden we het fijn! Glimlachend kijk ik naar de kinderen die nu met kolven in hun handen uit het maisveld komen. Ik hoop dat zij net zulke mooie herinneringen zullen opdoen als ik.


Wat klinkt dat heerlijk !
LikeGeliked door 1 persoon