Glunderend kijk ik in de lens van de fotograaf. Gewoonlijk voelt dat ongemakkelijk; ik sta liever achter de camera dan ervoor. Nu maak ik echter graag een uitzondering. Ik word geflankeerd door mijn dochters en zij stralen bijna net zo erg als ik. Daar hebben we dan ook alle reden toe.
Het begon eind vorig jaar, toen de inschrijving voor de verkiezing van de nieuwe stadsdichter werd opengesteld. Deze keer werden niet alleen volwassenen uitgenodigd gedichten in te zenden, maar lag er ook een expliciete oproep voor jongeren. ‘Is dat niet wat voor jou?’ vroeg ik aan de oudste. ‘Mag ik dan ook meedoen?’ vroeg haar zusje. En zo kwam het dat we op zaterdagavond met zijn drieën zaten te schrijven.
De dagen en weken daarop bleven we met woorden schuiven en aan onze gedichten schaven, maar op de dag van de deadline mailden we ze dan toch naar de organisatie. Die stuurde ze geanonimiseerd door aan de juryleden. Wij konden niet anders dan afwachten.
Even zakte het stadsdichtergebeuren weg, maar hoe dichter de datum van de bekendmaking naderde, hoe meer het onderwerp rondzong in mijn hoofd. In de beginjaren had ik een paar keer in de jury gezeten en eerdere gedichten hadden al eens tot een nominatie geleid. Stel je voor dat dat laatste nog eens zou lukken? En hoe leuk zou het niet zijn voor de meiden als zij waardering zouden krijgen voor hun inspanningen?
Natuurlijk vroeg ik me ook wel eens af hoe het zou zijn als ik écht gekozen zou worden. De gedachte popte soms stiekem op, gevolgd door heel veel vragen. Want stadsdichter zijn, hoe gaat dat? Wat wordt er van je verwacht? Wat schrijf je dan? De vorige dichters publiceerden geregeld in de huis-aan-huiskrant of dichtten voor gelegenheden. Zou ik dat ook kunnen? Ik liet de gedachten even ronddwarrelen in mijn hoofd en stopte ze daarna gauw weer weg. Ze waren te groots, te surrealistisch.
Net zat ik nog vol spanning in de zaal toen de genomineerden bekend werden gemaakt. Tot mijn vreugde was ik een van hen! We droegen alle vier voor uit eigen werk, ik trilde over mijn hele lijf. De jury ging opnieuw in beraad en zou daarna de nieuwe stadsdichter benoemen. Veel tijd om van mijn nominatie te genieten kreeg ik alleen niet, want de meisjes wilden graag dat ik met hen mee naar voren ging om hun gedichten voor te dragen. Nog meer getril achter de microfoon.
En nu sta ik hier, trots te grijnzen naar de lens, met een trofee in mijn handen en mijn meiden dicht bij mij. Zij ontvingen een aanmoedigingsprijs, ik kreeg de titel. Ik ben overweldigd en overdonderd, maar vooral intens blij. In mijn achterhoofd fluistert alweer een stemmetje: ‘Nu moet je aan de bak, Berber,’ maar dat negeer ik nog even. Die toekomst komt wel en de juiste woorden vast ook. Eerst geniet ik van de felicitaties, van de knuffels van mijn dochters en de zoenen van mijn lief, van de complimenten en het applaus.
