Locomokipkanariekachelfantje. Dit woord is het antwoord op een raadsel dat ik vergeten ben. Toen ik een jaar of twaalf, dertien, veertien was, kende ik het uit mijn hoofd en heb ik er vaak om in een deuk gelegen. Samen met vriendinnen, eerst op de basisschool, daarna op de middelbare. Wat hadden we veel melige buien en wat hebben we wat af gelachen!
Mijn meiden zijn nooit melig, hoewel ze er absoluut de leeftijd voor hebben. Ook toen ik voor de klas stond waren mijn leerlinges dat nooit. Nou ja, ze liepen natuurlijk wel te gniffelen, te giebelen en te geiten, maar ze gebruikten de term ‘melig’ niet. Zou die uitgestorven zijn?
Ik heb het trouwens specifiek over meiden, omdat meligheid in de praktijk enkel voor hen lijkt weggelegd. Jongens kijken hooguit met een schuin oog naar de melig grinnikende meisjes en geven elkaar daarna een stomp. Veel belangrijker. En bovenal: veel cooler.
Meligheid is niet stoer of cool, maar wel heel gezellig. Als ik begon met de zin: ‘Staat een man op de bus te wachten,’ sprongen de tranen mijn vriendinnen en mij vrijwel direct in de ogen. ‘Zegt de chauffeur: kom daar onmiddellijk van af!’ maakten we de grap gierend van de lach samen af. Of nog nietszeggender: ‘Wat is het verschil tussen een krokodil?’ We keken elkaar kort aan en barstten in lachen uit. ‘Des te groener, des te zwemt-ie!’
Wat zijn mijn vriendinnen en ik vaak melig geweest. Het was heerlijk zo onbevangen te kunnen giebelen. En het makkelijke was dat je dat ook gewoon kon verkondigen: ‘Wij zijn melig.’ De docent, klasgenoot of ouder die die boodschap te horen kreeg, had zich er maar naar te voegen. Een serieus gesprek zat er vanaf dat moment sowieso niet meer in. Daar konden wij niets aan doen, het was de schuld van de meligheid.
De grap die hoort bij het locomokipkanariekachelfantje zal ongetwijfeld simpel zijn en getuigen van weinig diepgravende inzichten. Natuurlijk kan ik hem opzoeken, het internet weet alles, maar ik denk dat ik het maar zo laat. De herinneringen die het woord oproept aan mijn buien van vroeger zijn genoeg. Met een glimlach denk ik eraan terug. Eigenlijk is het jammer dat ik nu nooit meer zo melig ben.

Nu je het zegt… Ik heb dat woord ook in tijden niet meer gehoord, al had ik er zelf vroeger toch vaak ‘last’ van. Of het écht jammer is, dat je nooit meer melig bent, vraag ik me overigens wel af. Zou het er niet potsierlijk uitzien, als wij nu nog zo stonden te giebelen om niks ?
LikeLike