Klagen mag

Vandaag wil ik het graag over mezelf hebben. Want ik doe altijd wel alsof ik zo leuk en aardig ben, maar ik heb ook behoorlijk wat minpunten.

Zo lukt het me maar zelden op tijd te komen. Als ik met een vriendin afspreek om in de stad te gaan lunchen, maar zij in tijdnood komt vanwege andere afspraken, ben ik de eerste om aan te bieden onze afspraak te vervroegen. Zij gaat daar natuurlijk graag op in, maar vervolgens ben ík degene die te laat is. Ook bij een cursus, op slechts vijf minuten fietsen van huis, krijg ik het voor elkaar om te laat te komen. Na een voorzichtige roffel op de deur stamel ik iets over een kwijtgeraakte fietssleutel, wat niet eens gelogen is, maar het is natuurlijk geen lekkere binnenkomer. Bij dit evenement is het trouwens niet anders: ben ik ooit écht op tijd geweest voor het Literair Café?

Plannen is eveneens een drama. To do-lijstjes maken kan ik als de beste. Vol goede voornemens schrijf ik op wat ik wil gaan doen, maar tegen de tijd dat ik twee dingen heb afgestreept, heb ik ook al twaalf nieuwe toegevoegd. Zo worden mijn lijstjes langer en langer, tot er uiteindelijk complete boekrollen op tafel liggen. Aan het eind van de dag heb ik natuurlijk lang niet alles afgestreept, zodat het lijkt alsof ik bijna niets heb gedaan. Zo val ik mezelf keer op keer weer tegen.

Ruzie maken kan ik evenmin. Sowieso houd ik er niet van, zoals waarschijnlijk de meeste mensen, maar als er toch een dreigt, probeer ik hem te vermijden. Als zelfs dát onvermijdelijk blijkt, word ik een heks. Een kreng. Een secreet. In plaats van volwassen en fatsoenlijk te discussiëren, word ik venijnig. Ik geef steken onder water en haal oude koeien uit de sloot. Die hebben natuurlijk niets met het meningsverschil te maken, maar ze staan uiteindelijk wel opgepropt naast elkaar te loeien in de kamer, zonder ook maar íets redelijks toe te voegen.

Over exacte vakken kunnen we het maar beter niet hebben, want daar ben ik superslecht in. Natuur- en scheikunde heb ik direct na de derde klas laten vallen en het was mede vanwege wiskunde dat ik afstroomde van vwo4 naar havo4. Nu zou je kunnen denken dat ik als docent Nederlands en godsdienst ook helemaal geen kennis van de exacte vakken nodig heb. Die gedachte is volkomen terecht. Maar mijn oudste dochter zit nu in havo3 en zij wil wél voldoendes halen. En dus moet ik, na al die jaren, opnieuw aan de bak en me vastbijten in het begrijpen en omrekenen van v,t-diagrammen naar s,t-diagrammen. Wat een hel. Tot op zekere hoogte lukt het me, daarna verwijs ik haar toch terug naar haar docent.

Wat ik ook niet kan, is opruimen, ondanks dat ik me elke dag meermaals voorneem het nu wel goed te doen. En bij te houden. Écht. Overal in huis slingeren dingen. Voorwerpen. Prulletjes. Sloffen. Ontbijtborden. Glazen. Boeken. Pennen. Tassen. Formulieren. De meeste hebben in theorie wel een vaste plaats, maar in de praktijk bereiken ze die vrijwel nooit. Niet omdat ze voortijdig worden gebruikt of in de prullenbak belanden, maar omdat niemand ze oppakt en er iets mee doet. Ik niet, de meiden evenmin, want aan zo’n moeder als voorbeeld hebben ze natuurlijk volstrekt niets.

Zo kan ik nog wel even doorgaan, ik heb minpunten zát. Zo zie ik mijn eigen grenzen niet, laat staan dat ik ze kan aangeven of kan bewaken. Ik kan geen keuzes maken en zit in een restaurant eindeloos naar de menukaart te turen. Ik kan geen planten weggooien, zelfs niet als ze dood zijn, want er zit altijd zo’n mooi verhaal achter. Enzovoorts, enzovoorts.

Gelukkig staan er tegenover al die minpunten ook wel wat positieve, maar die bewaar ik voor een andere keer. Anders ben ik wel héél erg lang aan het woord.

Geschreven voor en voorgedragen tijdens het Literair Café in ’t Kroegje op zondag 18 oktober 2026. Het thema was ‘Klagen mag’.

Eén reactie

Geef een reactie