Eenzaam

‘Wat zou je ervan vinden als ik jou zou vragen of je elke dag met mij wilt wandelen?’ Bij het horen van de vraag verslik ik me bijna in mijn koffie. Elke dag wandelen met een volstrekt onbekende vrouw? Ik moet er niet aan denken. Maar ja, dat kan ik natuurlijk niet zo zeggen.

De ochtend begon goed. De lucht was weliswaar grijs, maar af en toe brak de zon even door de wolken. Het regende in ieder geval niet. Ik trok mijn jas en schoenen aan, draaide de deur achter me op slot en ging op pad. Zoals altijd was het fijn wegkijken over de IJssel. In de uiterwaarden aan de overkant stonden koeien rustig te grazen.

Ik stak de weg langs de kade over en wandelde naar de binnenstad, naar mijn favoriete koffietentje. Daar bestelde ik een cappuccino, waarna ik buiten op het bankje onder de rode luifel ging zitten. Ook in een rustige winkelstraat kun je lekker van je af kijken. Naar de gebouwen, die er al jaren staan, maar die er steeds net iets anders uitzien, en natuurlijk ook naar de mensen die voorbijlopen. Sommigen gehaast, anderen slenterend. Toeristen en inwoners. Netjes gekleed of juist heel nonchalant. Jong, oud, groot, klein… alles liep langs me heen.

Als ik toevallig oogcontact maakte, groette ik de voorbijgangers met een glimlach en een ‘Goedemorgen’, want ik houd ervan om te zien en om gezien te worden. Zo zag ik ook deze vrouw, die een beetje zoekend om zich heen keek. Ik ving haar blik en groette haar. Even twijfelde ze, toen vroeg ze of ze bij me mocht zitten. Mijn koffiekopje was al bijna leeg, toch schoof ik opzij.

Eenmaal naast me op het bankje stak de vrouw van wal. Ze vertelde over haar leven, haar scheiding en haar lege dagen. Zonder het hardop te zeggen schreeuwde ze één woord: eenzaamheid. Ik zat daar maar, luisterde en knikte.

‘Hoe doe jij dat dan?’ vroeg ze na een poosje. ‘Heb jij een relatie? Werk? Kinderen?’ Ik vertelde kort, gaf toe dat ik het af en toe ook lastig vind de dagen door te komen, zeker als de meiden bij hun vader zijn. ‘Daarom probeer ik elke dag naar buiten te gaan,’ zei ik. ‘Om hard te lopen of gewoon te wandelen. Soms rijd ik daarvoor naar het bos of de hei, maar vaker loop ik langs de rivier of, zoals nu, naar de binnenstad voor een kop koffie.’

Wat ik zei was absoluut waar. Ik vind het leven soms behoorlijk ingewikkeld en moet bij tijden echt mijn best doen om er wat van te maken. Maar ik houd vol, terwijl ik me wandelend door de dagen worstel. Af en toe voelt het als strompelen, andere keren als zweven, maar het is fijn om in ieder geval vooruit te gaan.

Dat laatste had ik allemaal niet expliciet gezegd. Wat ik wel bedoelde, weet ik niet precies. Misschien wilde ik haar het advies geven ook naar buiten te gaan? De reactie die ik nu krijg, had ik in ieder geval niet verwacht.

Nee, denk ik. Ik wil niet met je wandelen. En zeker niet elke dag. Ik heb al genoeg aan mijzelf, aan mijn eigen leven en aan alle ballen die ik in de lucht moet houden. Nee, ik wil het niet. Ik kan het niet.

Gelijktijdig raast een storm door mijn hoofd. Maar deze vrouw is eenzaam, klinkt het. Ze heeft hulp nodig, vraagt er zelfs om. Dan moet je die toch bieden?

Nee, denk ik opnieuw. En dan zeg ik het ook hardop: ‘Nee. Sorry, maar dat wordt me echt te veel.’ Vervolgens hoor ik mezelf nog wat stamelen over de sociale initiatieven die worden georganiseerd in de stad, vanuit de kerken, de bibliotheek en welzijnswerk. Terwijl ik de woorden uitspreek, weet ik dat ze hun doel missen, maar ik weet ook even niets beters. Ik zou zo graag de wereld redden, maar dat lukt me niet alleen.

‘Ik begrijp het,’ zucht de vrouw. Ik neem mijn laatste slok koffie en gelijktijdig staan we op. Ik reken mijn cappuccino af en dan lopen we allebei een andere kant uit, onze eigen levens in.

Eén reactie

  1. Ik zou geloof ik ook wel schrikken van zo’n vraag. Wél heel moedig, van jullie allebei. Van de vrouw om het te vragen, en van jou om toe te geven dat zoiets je teveel wordt.

    Like

Geef een reactie