Op de stoep staat een fiets. Ernaast zit een jongen met kort blond haar in kleermakerszit. Zijn handen in zijn schoot, zijn hoofd licht gebogen. Zijn wangen zijn moeilijk te zien. Zitten daar nou sproeten op of zijn het toch tranen? Voor de zekerheid stap ik af. ‘Gaat het wel goed?’ vraag ik tegen beter weten in.
Samen met mijn jongste dochter heb ik net de route van het verkeersexamen gefietst. Later deze week moet ze dat zelf doen, met een geel hesje aan en met controleurs langs de weg. Best spannend, dus leek het ons goed de route vast te verkennen.
Thuis had ik samen met haar op de kaart willen kijken om alvast een beeld te krijgen, maar zij haakte al af voor ik mijn mond open kon doen. ‘Laat maar, mam,’ zei ze. ‘Ik weet toch niet waar dat allemaal is.’
En dus reden we met zijn tweeën naar het stadhuis, haar opstappunt. Vanaf daar volgden we de bordjes die al opgehangen waren. ‘Wel over je schouder kijken en je hand uitsteken,’ zei ik bij de eerste bocht. Die opmerking kwam me op een vernietigende blik te staan. ‘Dat weet ik ook wel!’ Ik besloot maar beter mijn mond te houden.
Tot we bij een kruising kwamen en ik haar twijfelend om zich heen zag kijken. ‘Heb je het bordje al gezien?’ vroeg ik. ‘Nee, eh… ja!’ De hand ging uit en we sloegen af.
Het was best gezellig om zo samen onderweg te zijn. We kwamen op bekende plaatsen, maar ook in wijken waar we anders nooit komen. ‘Volgens mij ben ik hier nog nooit geweest,’ merkte mijn meisje op. ‘Als jij er niet was, zou ik misschien wel verkeerd rijden.’
Maar ik was er en de bordjes waren er ook. Links, rechts, rechtdoor… Keurig volgden we alle pijlen, tot we uiteindelijk weer terug waren bij het stadhuis. Daar keek ze me met een tevreden blik aan; ze had genoeg zelfvertrouwen opgedaan voor donderdag.
We maakten een korte omweg langs de supermarkt en fietsten daarna weer naar huis. Tot we die jongen dus tegenkwamen.
Hij kijkt op als ik naast hem hurk en hem aanspreek. Het zijn sproeten, zie ik, maar ook tranen. Zou er iets ergs gebeurd zijn? Verschillende scenario’s schieten door mijn hoofd: is hij gevallen, gepest, misschien zelfs bestolen?
Zijn stem breekt als hij begint te praten. ‘Ik ben aan het oefenen voor het verkeersexamen, maar ik ben de weg kwijt!’ Wanhopig kijkt hij me aan. ‘Ik heb heel goed op de bordjes gelet, maar opeens hingen ze er niet meer. En nu weet ik niet waar ik naar toe moet…’
Er kruipt een gevoel van opluchting door me heen. Dit leed is uit de wereld te helpen, hier kan ik wat aan doen. De jongen blijkt begonnen te zijn bij de kinderboerderij en vlak voor het stadhuis is hij verdwaald. We staan op en ik wijs hem waar hij naar toe moet om weer op de route te komen. Hij droogt zijn tranen en stapt op.
Mijn dochter en ik zetten de voeten eveneens weer op de pedalen. Vrolijk kletsend fietsen we het laatste stukje naar huis. Met die examens later deze week komt het wel goed.
