‘Was je al die tijd al bang dat ik hier een keer achter zou komen?’ Mijn lief proest het uit. De tranen springen in zijn ogen terwijl hij me breed lachend aankijkt. We kennen elkaar nu ruim vier jaar. Ik had nooit kunnen vermoeden dat dit zó’n ding zou zijn.
Na een nacht in een hotel en een bezoek aan het Drents Museum zijn we Assen in gegaan om te lunchen. De uitgestorven stad maakte onder de grauwe, grijze wolkenlucht echter zo’n desolate indruk dat we maar een stadssupermarkt in zijn gegaan. Daar hebben we onszelf getrakteerd op lauwe saucijzenbroodjes en blikken energiedrank. Met vanavond een concert in Groningen in het verschiet hebben we nog een lange dag te gaan; we kunnen wel een oppepper gebruiken.
Hoewel de broodjes klef en smaakloos zijn, zitten we hier best goed. Tussen de raamstickers door hebben we zicht op een pleintje waar af en toe mensen langs komen: een vrouw met een rollator, een man met witte sportsokken en badslippers op een fatbike, zelfs een groepje brommerrijders dat meedoet aan de carbage run en op weg is naar Stockholm. Ze hebben nog een lange weg te gaan.
Ja, we zitten goed, mijn lief en ik. Een groot deel van de tijd zwijgen we en kijken we naar de grijze stad. Af en toe maken we een opmerking of nemen een slok energiedrank. Hoewel de omstandigheden verre van romantisch zijn, voel ik dat ik stapelgek ben op de man naast me. Ik veeg mijn vettige hand af aan een servetje en steek hem uit om mijn lief vol genegenheid over zijn wang te strijken.
Mijn mouw schuift daarbij een stukje omhoog en hij ziet dat er een lichte streep huid zit op de plaats waar eerst mijn horloge zat. Zijn blik glijdt verder en hij merkt op dat ik mijn horloge nu rechts draag. Verbazing en vermaak wisselen elkaar af op zijn gezicht. ‘Heb je dat echt gedaan om te voorkomen dat je een witte streep op je pols krijgt?’ wil hij weten.
Om redenen die me niet helder zijn, voel ik me betrapt. Toch antwoord ik eerlijk: ‘Tuurlijk!’ En dan, iets voorzichtiger erachteraan: ‘Dat doe ik iedere zomer.’
Mijn lief heeft het niet meer. ‘IJdeltuit!’ lacht hij. Ik voel mijn wangen rood worden. ‘Was je al die tijd al bang dat ik hier een keer achter zou komen?’ vraagt hij met pretogen.
Ik trek mijn mouwen weer over mijn polsen. Is het stom wat ik doe? IJdel? Of juist logisch? Even wordt het heel druk in mijn hoofd, dan zet ik alle twijfels opzij en begin ik ook te lachen. Wat maakt het uit? Ik heb deze zomer niet alleen mooie, zongebruinde polsen, ik heb ook samen met mijn lief in een deuk gelegen in een stadssupermarkt in Assen. Het leven zit vol verrassingen.
